Ontstaan van de wijk

ONTSTAAN VAN DE EDELSTENENWIJK

Het gedeelte van Schaarbeek, afgebakend door, in het noorden de Leuvensesteenweg, in het westen de Notelaar­straat, in het oosten de Auguste Reyerslaan en in het zuiden de Roodebeeklaan wordt vaak de Edel­stenenwijk genoemd naar de naam van verscheidene van haar straten en lanen.

Het ontstaan van deze wijk kan niet verklaard worden zonder te wijzen naar de omvang van de sterke urbanisering op het einde van de negentiende eeuw. Dit is een algemeen fenomeen in België waarvan de talrijke oorzaken en gevolgen ons in het kader van deze tekst te ver zouden leiden. Maar laten we niet vergeten dat tijdens de tweede helft van de regering van Leopold II ons land de tweede grootste economische macht van de wereld is. Schaarbeek deelt ten volle in die voorspoed. Men kan het aantonen door de evolutie in het aantal bouwwerken. Omstreeks 1890-1895 worden er per jaar in Schaarbeek ongeveer 130 nieuwe huizen gebouwd. Voor de periode 1895-1904 loopt dit al op tot gemiddeld 218 huizen per jaar. De nieuwe woningen van 1908 overschrijden reeds de 500 eenheden en voor het jaar 1911 telt men 708 nieuwe huizen in Schaarbeek.

Het is op het einde van de negentiende eeuw dat de stadsbestuurders van Schaarbeek besluiten een globaal plan voor de omvorming van het landelijk gedeelte van de gemeente naar nieuwe wijken op te stellen. Dit globaal plan is, voor die periode, immens: het voorziet de bouw van nieuwe wegen voor een oppervlakte van 600 hectare!

Het plan wordt opgesteld door de ingenieur Octave Houssa [1] onder de leiding van de schepen van Openbare werken Emile Van den Putte en van het College van Burgemeester en schepenen.

Hoewel grotendeels uitgewerkt tijdens het burge­meester­schap van Guillaume Kennis, wordt het plan uiteindelijk gestemd in 1904, wanneer Achille Huart-Hamoir hem aan het hoofd van de gemeente opgevolgd heeft.

In het gedeelte van de gemeente ten zuiden van de zeer oude Leuvensesteenweg bestonden toen al de Victor Hugostraat (althans gedeeltelijk, getrokken in 1885) de Rassonstraat en de Eugène Plaskylaan [2] (beide, geopend in 1886). Daarbij voorziet het globaal plan in een reeks nieuwe straten waarvan er zeven de naam van een edelsteen krijgen: Camee, Diamant, Opaal, Robijn, Saffier, Smaragd en Topaas.

Het de Jamblinne de Meuxplein wordt in 1906 getrokken, het jaar daarop opent de Milcampslaan.

In 1908 volgen de Diamantlaan (tussen Leuvense­steenweg en het Eugène Plaskyplein), de Emile Maxlaan en de Victor Oudartstraat. De Victor Hugolaan wordt in 1909 verlengd tot de Roodebeeklaan.

Het jaar daarop, in 1910, ontstaan de Opaallaan en de Robijnlaan [3].

De Topaaslaan, Smaragdlaan en Cameelaan [4]en de Saffierstraat worden net voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog beëindigd.

Al deze data behelzen natuurlijk de opening van de straat en niet de bouw van de huizen in die straten. Die werd aanzienlijk vertraagd door de Grote Oorlog.

Pierre Blanche


[1] Te zijner ere heette de Victor Hugostraat gedurende enkele jaren de Octave Houssastraat.

[2] Bestond in feite al sinds geruime tijd onder de naam van en als verlengde van de huidige Kortenberglaan maar zonder trottoir of riolering.

[3] In den beginne werd de naam van Robijnlaan gegeven aan het deel van de Diamantlaan tussen het Eugène Plaskyplein en de Militaire laan (de huidige August Reyerslaan).

[4] De Cameelaan was de oorspronkelijke naam van de Adolphe Lacomblélaan.

Fin de commentaires/ Einde van opmerkingen